Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only

Etiologie

Problematisch middelengebruik komt meestal niet alleen. Door het gebruik van middelen kan een psychische aandoening ontstaan. Andersom is het ook zo dat jongeren die een psychische aandoening hebben vaak verslavende middelen gebruiken. Zo proberen zij de gevolgen van de psychische aandoening te onderdrukken. Volgens Snoek e.a. (2010a) vormt de volgende psychische problematiek een risico voor het ontwikkelen van problematisch middelengebruik:

Stoornis of beperking

Problematische middelengebruik bij kinderen en adolescenten kan samengaan met deze stoornissen; specifieke aandachtspunten bij elke stoornis worden verder beschreven bij ‘comborbiditeit’.

Nog lang niet alle psychische stoornissen zijn onderzocht op hun relatie met middelengebruik. Bovendien is comorbiditeit vaak eerder regel dan uitzondering en is er sprake van het samengaan van meerdere psychische stoornissen (Snoek e.a., 2010a) of van kenmerken van meerdere stoornissen zonder dat er een diagnose gesteld kan worden volgens de criteria van de DSM IV. Dit terwijl er wel zoveel symptomen aanwezig zijn dat het klinisch gerechtvaardigd is te spreken van psychopathologie. In classificerende zin is het dus ingewikkeld om een diagnose te stellen, terwijl er in descriptieve zin zeker sprake is van een diagnose (van Wijngaarden-Cremers e.a., 2011).

Uit de klinische praktijk blijkt dat naast bovengenoemde stoornissen ook (kenmerken van) autisme, sociale angst en bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling vaak voorkomen bij jongeren die problematisch middelen gebruiken. Het komt ook vaak voor dat jongeren geparentificeerd zijn. Deze jongeren zijn erg zorgzaam voor anderen en stellen hoge eisen aan zichzelf. Vervolgens kunnen zij met behulp van middelengebruik – meestal alcohol – de rem er af gooien en zich helemaal laten gaan, waar ze later weer spijt van hebben.

Risico- en beschermende factoren

Een gedetailleerd uitgewerkt overzicht van risico- en beschermende factoren voor het ontwikkelen van problematisch middelengebruik en psychische comorbiditeit is te vinden in Kwetsbare groepen jeugdigen en problematisch middelengebruik. Visie en interventiematrix (Snoek e.a., 2010a). In tabel 1 is een kort overzicht weergegeven.

Tabel 1: risico- en beschermende factoren problematisch middelengebruik en psychische comorbiditeit (Snoek, e.a., 2010a)
Risicofactoren Beschermende factoren
Brede sociale omgeving

  • Armoede
  • Ongunstige buurtkenmerken
  • Lage sociaal-economische status
Brede sociale omgeving

  • Sociale cohesie
School

  • Slechte schoolprestaties
School

  • Hoog opleidingsniveau
Gezin en ouders

  • Middelengebruik of psychische
  • Problemen van ouders (KOPP/KVO)
  • Echtscheiding ouders
  • Alleenstaande ouder
  • Conflicten in gezin
  • Mishandeling
  • Verwaarlozing
Gezin en ouders

  • Opvoedingscompetentie
  • Affectieve gezinsrelaties
Peers

  • Delinquente vrienden
Persoonlijk niveau

  • Genetische kwetsbaarheid
  • Persoonlijkheidskenmerken
  • Negatief denken
  • Angstgevoeligheid
  • Sensatiezoekend
  • Novelty seeking en lage score op harm avoidance
  • Impulsiviteit
  • Lage eigenwaarde
Persoonlijk niveau

  • Persoonlijkheidskenmerken
  • Gevoel van eigenwaarde
  • Goede zelfcontrolevaardigheden
Terug naar boven

Verklarende modellen

Er zijn twee modellen: ‘dual processing ‘ en ‘stress kwetsbaarheid’ modellen.

Het stress kwetsbaarheidsmodel 

Het stress-kwetsbaarheidsmodel (zie figuur 1) is samen met het dual processing model (Wiers en anderen, 2006) op dit moment het meest accurate verklaringsmodel voor de individuele ontwikkeling van problematisch middelengebruik in jongeren (van Wijngaarden-Cremers e.a., 2011). Herhaald gebruik van middelen verandert de hersenen; zorgt voor zogenaamde ‘neuroadaptaties’. Neuroadaptaties vinden eerst in het interne beloningssysteem van de hersenen plaats en vervolgens in de frontale gebieden die betrokken zijn bij het reguleren van gedrag. Dit wordt het dual processing model genoemd (Wiers, 2006). Dit model gaat uit van automatische processen die het gevolg zijn van beloning en gecontroleerd kunnen worden door bewuste keuzes (frontale executieve functies). Recent onderzoek toont aan dat alcohol en veel andere middelen regulerende processen sterk negatief beïnvloeden terwijl ze automatische processen versterken (Snoek e.a., 2010a). Ook is gebleken dat dit sterker het geval is wanneer het middelengebruik in de adolescentie plaatsvindt, waarschijnlijk omdat hersengebieden die met de regulatie van emotie en motivatie te maken hebben, dan nog volop in ontwikkeling zijn (Dahl & Spears, 2004). Dit proces gaat samen met een versterkte selectieve aandacht voor het middel en versterkte positieve geheugenassociaties met betrekking tot het middel. Het lichamelijke en psychologische ongemak bij stoppen of minderen is daardoor zo sterk dat de drang om het middel weer te gebruiken heel heftig is. Ook maanden en jaren na ontgifting (detoxificatie) kan terugval nog optreden door deze opgeslagen patronen in de hersenen. Tegenslagen, stress, een associatie, kunnen de drang en zucht naar het middel weer opwekken als de automatische processen weer in gang worden gezet door de geheugenassociatie met het middel (van Wijngaarden-Cremers e.a., 2011).

Figuur 1: Gen- en Omgevingsfactoren in het kwetsbaarheidmodel voor verslaving als een ontwikkelingsstoornis (Verder ontwikkeld naar Schellekens & Verkes, 2004)

gen-omgeving-interactie

Figuur 1 illustreert de voortdurende gen-omgeving wisselwerking bij het ontstaan van middelenmisbruik en het laat ook zien hoe middelenmisbruik verwant is aan ‘comorbide’ psychische stoornissen, waar het zowel erfelijke als omgevingsfactoren mee deelt. In het vervolg van deze tekst worden enkele relaties tussen psychische stoornissen en problematisch middelengebruik nader toegelicht. Dit is overgenomen uit het rapport van Snoek e.a. (2010a).

Auteur: Dr. Christel Middeldorp (nov. 2015), schrijft hierover:

In de genoemde studies wordt er vanuit gegaan dat de genetische make-up van een individu en de omgeving waaraan dit individu wordt blootgesteld onafhankelijk van elkaar zijn. Ook wordt aangenomen dat de effecten van genen en omgeving bij elkaar optellen (additief zijn). Het is echter mogelijk dat het samenspel van genetische en omgevingsfactoren ingewikkelder is.

Van gen-omgevingcorrelatie wordt gesproken wanneer genetische factoren ertoe leiden dat het individu vaker in een bepaalde omgeving verkeert (Eaves, 1987; Kendler & Eaves, 1986; Rutter & Plomin, 1997). In dat geval zijn dus de genetische make-up van een individu en zijn omgeving niet onafhankelijk van elkaar, maar hangen zij juist met elkaar samen (correleren). Er worden drie vormen van gen-omgevingscorrelatie onderscheiden. Er is sprake van passieve gen-omgevingscorrelatie als de genen die ouders doorgeven aan hun kind samenhangen met de omgeving waaraan deze ouders hun kind blootstellen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ouders die hun genen doorgeven voor een bovengemiddeld IQ en die, ten gevolge van hun eigen bovengemiddelde IQ, ook een stimulerende omgeving creëren voor hun kind. Reactieve gen-omgevingscorrelatie wil zeggen dat kinderen met een bepaalde genetische make-up een reactie uitlokken waardoor ze vaker in een bepaalde omgeving verkeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kinderen die vanuit hun genetische aanleg tot moeilijk te hanteren, agressief gedrag negatieve reacties uitlokken bij hun ouders en leerkrachten. Tenslotte kan iemand op basis van zijn genetische aanleg een soort omgeving verkiezen, dat is actieve gen-omgevingscorrelatie. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan jongeren met aanleg voor opstandig gedrag die vrienden uitkiezen die hetzelfde gedrag vertonen.

Gen-omgevingscorrelatie kan worden onderzocht door in een tweelingstudie te berekenen wat de erfelijkheid is van de blootstelling aan een “omgevingsfactor”. De bevindingen van deze onderzoeken zijn samengevat in een overzichtsartikel van Kendler & Baker (2006). Hieruit blijkt dat omgevingsfactoren zoals life events, opvoeding, de gezinsomgeving, sociale steun, omgang met leeftijdgenoten en de kwaliteit van een huwelijk zo’n 7 tot 39% erfelijk zijn. Een gewogen erfelijkheidsschatting van alle omgevingsfactoren kwam uit op 27%. Hieruit blijkt dus duidelijk dat omgevingsfactoren voor een groot deel door de omgeving worden bepaald, maar daarnaast ook voor een substantieel deel samenhangen met iemands erfelijk materiaal.

Van gen-omgevinginteractie wordt gesproken wanneer de expressie van genetische factoren afhangt van omgevingsfactoren of omgekeerd (Eaves, 1987; Kendler & Eaves, 1986; Rutter & Plomin, 1997). De mate van erfelijkheid van een aandoening is dan niet constant, maar is afhankelijk van de omgeving waarin de onderzochte kinderen verkeren. De rol van gen-omgevingsinteractie bij probleemgedrag op de kinderleeftijd is eveneens onderzocht. Verschillende studies laten zien dat de erfelijkheid van internaliserende en externaliserende problemen inderdaad afhankelijk is van de omgeving waarin je verkeert (Vendlinski et al., 2011). Het effect is hier bij niet altijd hetzelfde. Blootstelling aan sommige omgevingsfactoren verhoogt de erfelijkheid, terwijl blootstelling aan andere omgevingsfactoren de erfelijkheid juist verlaagt. In het eerste geval betekent het dat de genen die leiden tot probleemgedrag vaker tot expressie komen in een risicovolle omgeving en minder in een beschermende omgeving. In het andere geval betekent het dat bij blootstelling aan een risicovolle omgeving de genetische make-up van een individu juist minder van belang is.

Terug naar boven

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Jouw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke blader ervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je klikt op "Accepteren" hieronder, dan geef je toestemming voor het gebruik van Cookies.

    Sluiten