Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only

Pro justitia rapportage

Een pro Justitia rapportage kan variëren van enkele gesprekken tot een intensieve klinische observatie van 6 tot 7 weken.

Voor de pro Justitia rapportage binnen de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie geldt het Landelijk Kader Forensische Diagnostiek Jeugd (FDJ). Het doel van het FDJ is het vergroten van de doelmatigheid van de onderzoeksaanvragen, de doorloop te verkorten en de kwaliteit van de rapportages te verbeteren. De pro Justitia rapportage heeft een duidelijk format. Als leidraad voor de rapportage kan de richtlijn (2012) ‘Psychiatrisch onderzoek en rapportage in strafzaken’ van de Nederlandse vereniging voor psychiatrie (NVvP) gebruikt worden. Hierin staan ook enkele delen die specifiek gericht zijn op jongeren.

Bij pro Justitia rapportage draait het om een aantal vragen die de rechter van de rapporteur beantwoord wil hebben: kwam het door een ‘gebrekkige ontwikkeling’ of een ‘ziekelijke stoornis van de geestvermogens’ dat deze jongere dit delict pleegde? Wat is de kans dat deze jongere het weer doet en wat zijn de mogelijkheden om de kans hierop te verminderen en de ontwikkelingsmogelijkheden van deze jongere te verbeteren?

Omdat beoordelingen momentopnamen zijn, is het belangrijk om een goede beschrijvende diagnose te geven, rekening houdend met de ontwikkelingsfase van de jongere. Zodat men tijdens het verdere justitiële traject alert is op veranderingen van het klinisch beeld en de eventuele consequenties hiervan voor de behandeling.

De mogelijkheden om de recidiefkans te verlagen en de ontwikkelingsmogelijkheden van de jongere te verbeteren worden omschreven in een behandeladvies. Dit behandeladvies moet haalbaar en dus concreet zijn, bijvoorbeeld het aanbevelen van een specifieke therapie. Degene die een pro Justitia rapportage opstelt moet kennis hebben van het behandelaanbod van de verschillende forensische instellingen.

De pro Justitia rapportage bij jongeren in strafzaken

In Nederland kunnen jongeren vanaf 12 jaar strafrechtelijk worden vervolgd. Daarbij wordt rekening gehouden met hun leeftijd en gelden andere, bijzondere bepalingen dan in het reguliere, commune strafrecht. In het jeugdstrafrecht wordt rekening gehouden met de zogenaamde verminderde rechtssubjectiviteit van jongeren. Dat betekent bijvoorbeeld dat een jongere altijd een advocaat krijgt toegewezen en de rechtszitting achter gesloten deuren plaatsvindt. Het jeugdstrafrecht heeft een pedagogische doelstelling. De lagere straffen en verschillende maatregelen moeten ten goede komen aan de verdere ontwikkeling van de jongere en hebben tot doel het herhalingsrisico te verlagen. De zwaarste behandelmaatregel binnen het jeugdstrafrecht is de maatregel plaatsing in een jeugdinstelling (PIJ). Deze maatregel wordt ongeveer 70 keer onvoorwaardelijk en 50 keer onder voorwaarden opgelegd in Nederland (Brand, a’Campo & van den Hurk, 2013). In de voorbije jaren is dit aantal echter nogal aan verandering onderhevig. De rechter legt de PIJ maatregel slechts op, nadat hij zich “een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekende advies” heeft doen overleggen van tenminste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines. Van deze gedragsdeskundigen dient er één een psychiater te zijn. Het advies wordt door de deskundigen gezamenlijk dan wel door ieder van hen afzonderlijk uitgebracht. Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de rechtzitting is gedagtekend kan de rechter hier slechts gebruik van maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte (Wetboek van Strafrecht, Artikel 77s lid 2). Bij de jongere moet sprake zijn van een verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Per 1 april 2014 is het adolescentenstrafrecht in werking gegaan voor jongeren van 16-23 jaar. De Wegwijzer Jeugd en Veiligheid legt dit duidelijk uit en heeft altijd de meest recente versie van het adolescentenstrafrecht beschikbaar.

Met de invoering van het adolescentenstrafrecht verschuiven de leeftijdsgrenzen waarop het jeugdstrafrecht kan worden toegepast. Hiermee wordt rekening gehouden met de recente wetenschappelijke inzichten, die laten zien dat de hersenen van jongvolwassenen zich tot op de leeftijd van 25 jaar ontwikkelen (Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming, 2011). Onder andere de impulsregulatie en de mogelijkheid tot uitstellen van gedrag ontwikkelen zich later. Jongeren zijn sterker beïnvloedbaar door anderen. Dit zijn tevens factoren die een rol spelen bij het plegen van delicten. De meeste delicten worden gepleegd door jongvolwassen mannen (adolescenten) in de leeftijdsgroep van 16-25 jaar (Loeber, Hoeve, Slot, & van der Laan, 2012; Moffitt, 1993).

Het jeugdstrafrecht is van toepassing op jongeren van 12 tot 18 jaar. Vanaf de leeftijd van 16 jaar kan het volwassenenstrafrecht worden toegepast op grond van de ernst van het delict en/of de persoon van de verdachte en/of de omstandigheden waaronder het delict werd gepleegd. Tot de leeftijd van 23 jaar kan het jeugdstrafrecht worden toegepast wanneer de persoon van de jongvolwassene (ontwikkelingsleeftijd) daartoe aanleiding geeft. Dit kon voor 1 april al tot 21 jaar, maar dit gebeurde maar heel zelden (in 1,2% van de gevallen in 2008) (Wetsvoorstel en Memorie van Toelichting adolescentenstrafrecht, 2011). Met de verandering is het de bedoeling dat dit nadrukkelijk wel en meer wordt overwogen.

Volgens het Landelijk Kader forensische diagnostiek in de jeugdzorg dat in 2005 in werking trad en recent werd herzien, heeft het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) een coördinerende taak in de organisatie van de pro Justitia rapportages voor jeugdigen. Bij het NIFP werken kinder- en jeugdpsychologen en kinder- en jeugdpsychiaters. Zij adviseren de (jeugd)officier van Justitie en/of rechter-commissaris over detentiegeschiktheid en de noodzaak van pro Justitia rapportage. Zij bemiddelen de opdrachten voor rapportages naar de onafhankelijk pro Justitia rapporteurs, begeleiden hen en voorzien hun rapportages van feedback.

Sinds september 2013 is het Nederlands register voor gerechtelijk deskundigen (NRGD) van kracht. Pro Justitia rapporteurs moeten opgenomen zijn in dit register om voor de rechtbank te mogen rapporteren. Slechts bij uitzondering, bijvoorbeeld wanneer het een speciale expertise betreft, kan de rechter-commissaris een niet geregistreerde deskundige benoemen. Het NIFP biedt een opleiding voor pro Justitia rapporteurs en een aansluitend supervisietraject. Er is al jaren een tekort aan kinderpsychiaters die willen rapporteren. Deze groep is dan ook veruit de kleinste groep rapporteurs. Met de komst van het NRGD wordt nogmaals benadrukt dat pro Justitia rapporteren een aparte expertise is.

In Nederland wordt regelmatig pro Justitia gerapporteerd. Ongeveer 10 % van de jongeren, die voor de kinderrechter verschijnen, ondergaan een pro Justitia onderzoek. Het aantal pro Justitia rapportages is de laatste jaren wel iets teruggelopen. In 2012 werden er ongeveer 1100 rapportages opgemaakt over 800 jongeren (interne informatie NIFP).
Onder jongeren die met het strafrecht in aanraking komen, komt veel psychopathologie voor. Coby Vreugdenhil kwam in haar proefschrift in 2003 tot een schatting dat bij 70-90% van de gedetineerde jongeren sprake was van een psychische stoornis. Daartoe rekende zij ook verslavingen, zwakbegaafdheid en gedragsstoornissen. De bevindingen uit verschillende internationale onderzoeken bevestigen keer op keer deze conclusie. De groep jongeren wordt gekenmerkt door comorbiditeit van vooral verslavingsproblematiek en zwakbegaafdheid. Het is daarom van groot belang dat de kinderrechter, naast de rapportage van de raad voor de kinderbescherming, goed wordt voorgelicht door gedragsdeskundigen over deze psychische problematiek.

Er zijn verschillende vormen van pro Justitia rapportage. In 40% van de aanvragen betreft het een monodisciplinair psychologisch onderzoek. Er wordt in 40% van de gevallen multidisciplinair gerapporteerd door een psycholoog en psychiater. Slecht zelden (10%) rapporteert een psychiater alleen (interne informatie NIFP). Soms wordt het multidisciplinaire onderzoek uitgebreid met een milieurapportage door een medewerking van de (jeugd) reclassering. Deze variant heet het triple onderzoek. Het meest uitgebreide onderzoek is de residentiële rapportage. Vanaf mei 2009 vindt dit onderzoek plaats in de speciaal daarvoor ingerichte observatieafdeling van de justitiële jeugdinrichting Teylingereind te Sassenheim. Deze afdeling is ontstaan door een initiatief van het samenwerkingsverband Forensisch Consortium Adolescenten (ForCA). Hierin zijn de justitiële jeugdinrichtingen, een aantal universitair forensische (behandel) instellingen, de reclassering en het NIFP vertegenwoordigd.
Hoe het onderzoek pro Justitia er hoort uit te zien en welke kwaliteitseisen daaraan moeten worden gesteld staat in de richtlijn pro Justitia onderzoek van de NVvP (zie richtlijn psychiatrisch onderzoek en rapportage in strafzaken, 2012). In het boek Jeugdpsychiatrie en recht uit 2012, onder redactie van N. Duits en J.A.C. Bartels, wordt uitgebreid ingegaan op verschillende aspecten van het pro Justitia onderzoek. Theo Doreleijers (1995) was een van de eersten die aandacht vroeg voor het psychiatrisch onderzoek pro Justitia.

De pro Justitia rapporteur is onafhankelijk en heeft geen behandelrelatie met degene over wie hij rapporteert. Hij legt aan de onderzochte goed uit waarom hij is ingeschakeld. In principe is het onderzoek hetzelfde als in de reguliere kinder- en jeugdpsychiatrie. Van belang is wel een positief kritische houding van de onderzoeker, omdat de jongere zich wellicht anders zal voordoen dan in werkelijkheid omdat hij een gunstig beeld van zichzelf wil geven. Het is daarom belangrijk om goed kennis te nemen van de stukken (o.a. proces verbaal van politie) en een heteroanamnese af te nemen. De ouders en/of opvoeders worden gesproken over de ontwikkelingsanamnese. Veelal zijn er hulpverleners bij de jongere of het gezin betrokken (geweest), bij wie informatie wordt opgevraagd. Met de jongere wordt gesproken over zijn klachten, leven en uitgebreid over het ten laste gelegde delict.

Wanneer de jongere in voorarrest verblijft in een JJI, wordt ook daar informatie over zijn functioneren opgevraagd.
De bevindingen worden opgeschreven in het rapport. Hiervoor is een format ontwikkeld door het NIFP, dat zonder kosten beschikbaar is. Het schrijven van het rapport is een zeer belangrijk maar ook moeilijk onderdeel van het rapportageproces. Van belang is dat de rapporteur zich realiseert dat het rapport gelezen en begrepen moet worden door niet-gedragsdeskundigen. Slechts zelden zal de rapporteur worden uitgenodigd op de zitting om het rapport toe te lichten. Het is dus van belang dat het rapport goed is opgebouwd en de conclusies onderbouwd zijn en logisch volgen uit de verzamelde feiten en observaties. Het rapport gaat ook mee met de jongere gedurende het behandelproces dat vaak volgt op de veroordeling.

De kern van het rapport wordt gevormd door de forensisch psychiatrische beschouwing. Hier komen alle verzamelde informatie en observaties samen en interpreteert de rapporteur de bevindingen. Dan wordt de (eventuele) relatie tussen geconstateerde stoornis en het ten laste gelegde delict beschreven. De rapporteur adviseert over de mate van toerekeningsvatbaarheid. Van belang is dat een functionele diagnose wordt beschreven. Niet de aandachttekortstoornis maakt dat het ten laste gelegde minder toerekenbaar wordt geacht, maar de impulsiviteit voortkomend uit de stoornis.

Van belang is verder of er sprake is van een kans op herhaling van het ten laste gelegde delict. Voor het inschatten van dit recidiverisico wordt gebruik gemaakt van verschillende risicotaxatie-instrumenten. Voor jongeren zijn deze instrumenten minder ver ontwikkeld dan bij volwassenen en nog niet allemaal gevalideerd voor de Nederlandse situatie. De Structured Assesment of Violence Risk in Youth (Savry) is wel gevalideerd en wordt standaard gebruikt bij geweldsdelicten. De Juvenile Sex Offender Assesment Portocol-Dutch (J-SOAP-D) is een risicotaxatie-instrument bij seksuele delicten, maar is nog niet gevalideerd in Nederland en kan daarom slechts gebruikt worden als checklist. De Psychopathy Checklist Youth Version (PCL-YV) is een instrument om de mate van psychopathie in te schatten. Hoewel de PCL-YV in strikte zin geen risicotaxatie-instrument is, weten we dat bij psychopathie het recidive risico hoog is. Er is wel discussie over de betrouwbaarheid van de diagnose bij adolescenten, bij wie bepaalde kenmerken ook passen bij de levensfase. Voor meisjes zijn geen van de instrumenten gevalideerd.

De benodigde behandeling wordt bepaald middels het Risk-Needs-Responsivity model van Andrews en Bonta (2006). Om het recidiverisico te verminderen moet de behandeling aan een aantal voorwaarden voldoen. De intensiteit van de behandeling hangt samen met de hoogte van het recidive risico (risk). De vorm van de behandeling wordt bepaald door de criminogene behoeften (needs), dat wil zeggen de factoren die meegespeeld hebben bij het delict. Ten slotte moet de behandeling aansluiten bij de mogelijkheden (responsivity) van de jongere. Wanneer er geen rekening wordt gehouden met deze basisprincipes, zal een behandeling weinig effect hebben en zelfs het risico op recidive kunnen verhogen. Omdat meestal meerdere factoren een rol spelen, zal de behandeling multimodaal zijn, d.w.z. op meerdere leefgebieden van de jongere aangrijpen. In Nederland worden de behandelingen onderzocht en erkend.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een rol om de adviezen op haalbaarheid te onderzoeken, maar de rapporteur moet ook zelf contact opnemen met de behandelinstelling waaraan eventueel gedacht wordt. Ook zal contact opgenomen moeten worden met de jeugdreclassering, die de jongere vaak gaat begeleiden of al begeleidt.

Ten slotte volgt de beantwoording van de gestandaardiseerde vraagstelling en bespreekt de rapporteur altijd het rapport met de jongere en zijn ouders. De jongere en zijn ouders hebben inzage- en correctierecht. Het correctierecht geldt voor feitelijke onjuistheden in de rapportage. Zij kunnen het rapport niet blokkeren.