Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only

Klinisch beeld

Psychische stoornissen kunnen bij jongeren voorkomen zonder dat er sprake is van problematisch middelengebruik, maar het komt ook regelmatig voor dat psychische stoornissen en problematisch middelengebruik samengaan. Bij de (overgrote) meerderheid van de jongeren met problematisch middelengebruik is er sprake van comorbiditeit met psychische stoornissen, met name: ASSAD(H)DODD/CDhechtingsproblematiekpsychosedepressie, (sociale) angstPTSS, bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Veel jongeren met problematisch middelengebruik vertonen tegelijkertijd kenmerken van bijvoorbeeld depressie, een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en sociale angst, zonder dat precies wordt voldaan aan de DSM-criteria van één omschreven stoornis. Er zijn echter vaak zoveel symptomen aanwezig dat het klinisch gerechtvaardigd is te spreken van psychopathologie waarvoor behandeling noodzakelijk is (Van Wijngaarden Cremers e.a., 2011).

Complexe meervoudige problematiek

Jongeren met comorbiditeit van problematisch middelengebruik en psychische stoornissen hebben vaak een complexe systemische achtergrond: gebroken gezinnen, het zijn kinderen van ouders met psychische problemen (KOPP) of van verslaafde ouders (KVO), problemen met broers/zussen, contacten met justitie (jeugdreclassering, onder toezicht stelling (OTS)), financiële problemen (schulden), vrienden die ook middelen gebruiken, zelf drugs dealen, enzovoorts. Meestal zijn de onderlinge verhoudingen binnen het gezin van de jongere ernstig verstoord en regelmatig hebben deze jongeren weinig tot geen intrinsieke motivatie om in behandeling te gaan. Er kan dan sprake zijn van een ‘stok achter de deur’ (zoals een dreigende uithuisplaatsing of juridische maatregel) om een jongere toch tot behandeling te bewegen. Veel jongeren hebben traumatische ervaringen meegemaakt en vertonen kenmerken van een post-traumatische stress stoornis. De sociaal-emotionele ontwikkeling is dikwijls gestagneerd en vrijwel al deze jongeren hebben een identiteitsprobleem, de persoonlijkheidsontwikkeling staat onder druk. Daarnaast gaat problematisch middelengebruik regelmatig gepaard met moeite met het vertellen van de waarheid, mede in samenhang met verstoorde systeemrelaties (van Wijngaarden Cremers e.a., 2011).

Problematisch middelengebruik

Grenzen tussen experimenteel middelengebruik, recreatief middelengebruik, problematisch middelengebruik, middelenmisbruik en middelenafhankelijkheid zijn lastig te trekken. De verschillende fasen van middelengebruik (kennismaking, experimenteren, integratie, gebruik op de voorgrond, niet meer zonder kunnen) lopen meestal subtiel in elkaar over. Mede daardoor is het moeilijk om een harde maat te geven voor gebruik, problematisch gebruik, misbruik en afhankelijkheid (Snoek e.a., 2010b). Wel zijn er handvatten om de ernst van middelengebruik in te kunnen schatten.

Inschatten ernst middelengebruik d.m.v. de hoeveelheid gebruik

Normen voor middelengebruik staan in de ‘Richtlijn vroegsignalering middelenmisbruik of –afhankelijkheid bij jongeren‘ (Snoek en anderen). De hoeveelheid die iemand gebruikt, wordt gezien als een van de maten om de ernst van middelengebruik mee in te kunnen schatten. De onderstaande criteria voor problematisch drugsgebruik en adviezen voor verantwoord alcoholgebruik zijn gebaseerd op het drinkadvies voor jongeren van het Trimbos-instituut, te vinden op www.alcoholinfo.nl en op het cannabisprotocol van Ivens (2008).

  • Onder de 16 jaar: elk middelengebruik is problematisch.
  • Voor alcoholgebruik vanaf 16 jaar is het advies:
    • Drink minder dan de richtlijn verantwoord gebruik voor volwassenen, dat wil zeggen: jongens drinken gemiddeld minder dan 2 glazen alcohol per dag, meisjes minder dan 1 glas alcohol per dag.
    • Drink niet elke dag, hooguit een of twee avonden per week en vermijd binge drinken (het drinken van grote hoeveelheden op 1 dag).
    • Drink niet als je nog aan het verkeer moet deelnemen of de volgende dag naar school of werk moet.
  • Cannabisgebruik vanaf 16:
    • Als iemand gedurende drie maanden minstens wekelijks cannabis gebruikt, is er sprake van zwaar gebruik.
  • Er zijn geen normen gevonden voor gebruik van XTC, speed/amfetamine, cocaïne, GHB, heroïne en LSD, waarschijnlijk omdat dit in alle gevallen als problematisch wordt gezien (Snoek e.a., 2010b).

Inschatten ernst middelengebruik d.m.v. de gevolgen van het middelengebruik

Er wordt van problematisch middelengebruik gesproken bij iedere vorm van middelengebruik dat leidt tot problemen voor de gebruiker zelf of voor de maatschappij. Er kan daarbij sprake zijn van lichamelijke, psychologische en sociale problemen bij de gebruiker of er wordt maatschappelijke overlast veroorzaakt (Matthys e.a., 2006). In de praktijk wordt ‘problematisch middelengebruik’ als term geprefereerd, omdat jongeren zich vaak niet herkennen in de term ‘verslaving’ of ‘middelenafhankelijkheid’, maar wel instemmen met de beschrijving dat ze in samenhang met het middelengebruik in de problemen zijn gekomen.

Volgens de DSM IV is er sprake van middelenmisbruik als het gebruik van middelen samengaat met significante beperkingen zoals gedurende een periode van 12 maanden blijkt uit ten minste een (of meer) van de volgende situaties:

  • niet meer kunnen voldoen aan verplichtingen op het werk, school of thuis
  • door gebruik van het middel in fysiek gevaarlijke situaties komen
  • herhaaldelijk, in samenhang met het middel, in aanraking komen met justitie
  • voortdurend gebruik van het middel ondanks aanhoudende of terugkerende problemen op sociaal terrein veroorzaakt of verergerd door de effecten van het middel.

Volgens de DSM IV is er sprake van middelenafhankelijkheid als er naast het misbruik ook sprake is van minstens drie van de volgende kenmerken:

  • tolerantie
  • ontwenningsverschijnselen
  • langer gebruik van het middel dan men van plan was
  • weinig succesvolle pogingen om het gebruik te reguleren
  • het besteden van veel tijd om aan het middel te komen
  • voortzetten van gebruik ook al weet men dat het leidt tot problemen.

In de DSM V zal het onderscheid tussen misbruik en afhankelijkheid niet meer worden gemaakt. Er komt één classificatie voor verslaving.

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Jouw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke blader ervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je klikt op "Accepteren" hieronder, dan geef je toestemming voor het gebruik van Cookies.

    Sluiten