Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only

Comorbiditeit

Problematisch middelengebruik komt meestal niet alleen. Door het gebruik van middelen kan een psychische aandoening ontstaan. Andersom is het ook zo dat jongeren die een psychische aandoening hebben vaak verslavende middelen gebruiken. Specifieke aandachtspunten rondom verslaving, oftewel problematisch middelengebruik, worden beschreven voor respectievelijk de volgende stoornissen:

ADHD is een risicofactor voor middelenafhankelijkheid. Volwassenen die al vanaf hun kindertijd ADHD hebben, ontwikkelen twee keer zo vaak een verslaving als vergelijkbare personen uit de algemene bevolking. De symptomen van ADHD kunnen versterkt of juist onderdrukt worden door middelengebruik (Hulshoff e.a., 2009).

De relatie tussen ADHD en middelenproblematiek kan rechtstreeks zijn of te maken hebben met de bij ADHD behorende gedragsproblemen. Bij mensen met ADHD in combinatie met problematisch middelengebruik is namelijk vaak sprake van comorbiditeit met conduct disorder en antisociale gedragsstoornissen, die eveneens een sterke voorspeller zijn voor problematisch middelengebruik (Schubiner e.a, 2000). Pardini e.a. (2007) vonden na controle voor overige psychopathologie geen relatie meer tussen ADHD en problematisch middelengebruik. Ook Lynskey en Hall (2001) stellen dat de relatie tussen ADHD en problematisch middelengebruik statistisch verklaard kan worden door de relatie tussen ADHD en conduct disorder.

Terug naar boven

Depressieve stoornissen zijn gecorreleerd met alcoholmisbruik en –afhankelijkheid en cannabisafhankelijkheid. Er is een positieve statistische relatie tussen depressie, suïcidepogingen en middelengebruik (EMCDDA, 2010). Jongeren die onder invloed van middelen zijn, hebben een verhoogd risico op een (gelukte) suïcidepoging (Griswold e.a., 2008). Castellanos en Conrod (2006) noemen in hun onderzoek persoonlijkheidsrisicofactoren voor alcoholmisbruik, waaronder het gevoel van hopeloosheid en negatief denken (hopelessness; negative thinking).

Depressie komt ook vaak voor in combinatie met angststoornissen, wat een risicofactor voor middelenproblematiek vormt (Snoek e.a., 2010a).

Terug naar boven

Post traumatische stress stoornis
Een posttraumatische stress stoornis is een angststoornis die meer voorkomt bij vrouwen die middelenafhankelijk zijn dan bij mannen die middelenafhankelijk zijn (Snoek e.a., 2010a). De vraag is of het bij jongens/mannen voldoende is onderzocht. In de praktijk wordt namelijk ook bij jongens veel en ernstige traumatisatie gesignaleerd.

Traumatische ervaringen en een posttraumatische stress stoornis (PTSS) vormen een risicofactor voor problematisch middelengebruik. Jongeren die als kind ernstige traumatische ervaringen hebben gehad, hebben twee- tot viermaal meer kans om in hun adolescentie een verslaving te ontwikkelen (Nauta-Jansen & Hendriks, 2006). Vaughn e.a. (2007) deden onderzoek onder jongeren in pleegzorg en vonden ook hier een hoge correlatie tussen middelenmisbruik en –afhankelijkheid en PTSS. PTSS bij jongeren kan ontstaan door (vroeg)seksueel misbruik, mishandeling en verwaarlozing (Bergen e.a., 2004; Evren e.a., 2006). Zowel jongens als meisjes die op jonge leeftijd seksueel zijn misbruikt, hebben vier keer zoveel kans op problematisch middelengebruik in vergelijking met niet-misbruikte leeftijdsgenoten (Bergen e.a., 2004). Morojele en Brook (2006) vonden ook een relatie de andere kant op: adolescenten die diverse middelen gebruiken, hebben een verhoogde kans om slachtoffer te worden van geweld. In de klinische praktijk blijkt bij meiden vaak misbruik voor te komen.

Terug naar boven

Een middel als speed (amfetamine) wordt soms gebruikt om af te vallen. Hierdoor kan het voorkomen dat jongeren met eetstoornissen (anorexia, boulimia, eetbuien) ook een middelenafhankelijkheid hebben (Hulshoff e.a., 2009).

Terug naar boven

Er is een correlatie tussen middelengebruik, vooral cannabisgebruik, en vroege vormen van schizofrenie (EMCDDA, 2007). Ook uit Nederlands onderzoek blijkt dit verband: jongeren die voor hun zestiende jaar begonnen met cannabis, hadden een veel groter risico op psychose dan mensen die op latere leeftijd voor het eerst gebruikten (Henquet, 2006; Ferdinand e.a., 2005).

Terug naar boven

Hoewel het middelengebruik bij jongeren met een licht verstandelijke beperking ongeveer gelijk is aan het middelengebruik onder jongeren in de algemene bevolking, zijn jongeren met een licht verstandelijke beperking wel extra kwetsbaar (Bransen, 2008). Jongeren met een licht verstandelijke beperking hebben vaak een gebrekkige kennis van middelen als alcohol en drugs en missen bovendien over het algemeen de cognitieve vaardigheden om de basisrisico’s van het gebruik van deze middelen in te zien. Hierdoor zijn de negatieve gevolgen van alcohol- en drugsgebruik onder deze groep groot. Het is bovendien een groep die over het algemeen moeite heeft met het opbouwen van relaties met leeftijdsgenoten (Bransen, 2008). Alcohol en drugs kunnen dan al snel aangewend worden uit een verlangen naar sociale acceptatie, om sociale remmingen te doorbreken of om te compenseren voor gevoelens van isolatie en eenzaamheid (McGillicuddy, 2006; Barrett & Paschos, 2006).

Terug naar boven

    Het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie maakt gebruik van cookies voor analyse van het gebruik van deze website en om de website optimaal te laten werken. Jouw bezoek blijft daarbij anoniem. Voor meer informatie, zie onze privacyverklaring

    Deze site is standaard ingesteld op 'cookies toestaan", om je de beste mogelijke blader ervaring te geven. Als je deze site blijft gebruiken zonder je cookie instellingen te wijzigen, of als je klikt op "Accepteren" hieronder, dan geef je toestemming voor het gebruik van Cookies.

    Sluiten