Samen werken, voor een psychisch gezonde jeugd

Zoeken
Generic filters
Exact matches only

Algemene adviezen

Het is verstandig voor jongeren om geen alcohol en/of andere psychoactieve middelen te gebruiken, vanwege de risico’s die ermee gepaard gaan. Dit advies geldt in het bijzonder voor jongeren in de jeugdzorg en jeugd-ggz: bij hen is er al sprake van verhoogde psychische kwetsbaarheid (Hendriks & Moska, 2022).

Behandelaren in de jeugdzorg en jeugd-ggz dienen daarom alert te zijn op middelengebruik bij jongeren die bij hen in behandeling zijn. Vraag er op meerdere momenten tijdens het behandeltraject naar, met name bij jongeren die hebben aangegeven dagelijks te gebruiken.

Middelengebruik maakt het behandelen lastiger. Bij farmacologische behandelingen kan middelengebruik bovendien de werking van de medicatie verstoren. Mocht blijken dat een jongere die middelen gebruikt ook medicatie slikt, overleg dan met een kinder- en jeugdpsychiater welk mogelijk negatief effect dit heeft op de werking van de medicatie.

Risico’s van alcohol- en drugsgebruik voor jongeren

De Gezondheidsraad (2018) raadt alcoholgebruik door jongeren tot 18 jaar af vanwege de directe risico’s die daaraan verbonden zijn. Denk aan (verkeers-)ongelukken, agressie, geweld en ander grensoverschrijdend gedrag. Daarnaast heeft alcoholgebruikschadelijke gevolgen voor de fysieke en mentale gezondheid op langere termijn.

Er zijn zorgen om de mogelijke effecten van alcohol op de hersenontwikkeling van jongeren en de nadelige effecten van alcoholgebruik op jongere leeftijd, met name onder de 16 jaar. Voor jongeren is alcoholgebruik extra schadelijk omdat zij sneller dan volwassenen een alcoholvergiftiging kunnen oplopen. Jongeren zijn ook vatbaarder voor alcoholvergiftiging, aangezien jongeren elkaar vaker aanzetten tot binge drinking dan volwassenen.

De meeste jongeren die een alcoholvergiftiging oplopen, schrikken hier zo van dat het geen tweede keer gebeurt. Bij jongeren die vaker dan eenmalig een alcoholvergiftiging oplopen, is een doorverwijzing naar gespecialiseerde jeugdverslavingszorg noodzakelijk (NHG richtlijn problematisch alcoholgebruik).

Volgens de gedegen literatuurstudie van de Gezondheidsraad (2018) zijn er aanwijzingen dat jongeren die regelmatig drinken een hoger risico lopen op het ontwikkelen van problematisch alcoholgebruik op latere leeftijd, zoals alcoholverslaving. Hoe jonger de leeftijd en hoe vaker jongeren alcohol hebben gedronken, hoe hoger het risico op latere alcoholproblematiek.

Er werd niet vastgesteld of het om een causaal verband gaat. Wél vond de Gezondheidsraad duidelijke aanwijzingen dat alcohol drinken bij jongeren geassocieerd is met een abnormale en versnelde afname van de grijze stof in de hersenen, maar het is nog onvoldoende duidelijk wat de betekenis van deze bevinding is.

De Gezondheidsraad concludeert dat over de specifieke gevolgen van alcoholgebruik voor de hersenen bij jongeren nog weinig bekend is. Dat geldt eveneens voor het verband tussen enerzijds alcoholgebruik op jonge leeftijd en anderzijds slechtere schoolprestaties en verminderd cognitief functioneren. Niettemin adviseert de Gezondheidsraad jongeren om geen alcohol te drinken, vanwege alle risico’s die met alcoholgebruik gepaard gaan.

Voor andere middelen, waaronder cannabis, zijn vergelijkbare verbanden gevonden. Het verband tussen respectievelijk frequent middelengebruik of gebruik op jonge leeftijd enerzijds, en nadelige effecten van het gebruik op o.a. de ontwikkeling van de hersenen, het cognitief functioneren, en/of de schoolprestaties van jongeren anderzijds (c.f. Tervo-Clemmens, et al., 2020; Lorenzetti, Hoch, & Hall, 2020). Daarbij spelen echter dezelfde kanttekeningen als bij het onderzoek naar alcoholgebruik, wat betreft causaliteit en mogelijke verstorende variabelen die de verbanden (mede) kunnen verklaren. Daarnaast gebruiken jongeren alcohol en drugs vaak tegelijk.

Ondanks onzekerheden in de literatuur, is er alle reden om jongeren in de jeugdzorg en jeugd-ggz te adviseren geen alcohol of drugs te gebruiken omdat zij vanwege de al aanwezige psychische problematiek en daarmee gepaard gaande risicofactoren, een grotere kans hebben op het ontwikkelen van een stoornis in middelengebruik (Groenman, Janssen, & Oosterlaan, 2017; Morales, Jones, Kliamovich, Harman, & Nagel, 2020).

Screening

Gezien de hoge prevalentie van problematisch middelengebruik in de jeugdzorg en jeugd-ggz is screening hierop van groot belang. Idealiter vindt er in deze settingen bij alle jongeren vanaf 12 jaar regelmatig screening plaats op zowel alcohol- als drugsgebruik. Ook dient er aandacht te zijn voor problematisch gokken of gamen.

Voor betrouwbare screening en diagnostiek van middelengebruik bij jongeren die aangemeld zijn voor jeugdzorg en/of jeugd-ggz, zijn de volgende gespreksvoorwaarden essentieel (Hendriks & Moska, 2022):

  • Het creëren van vertrouwen en een veilige setting tijdens het gesprek
  • Een open, niet-confronterende en niet-moraliserende houding van de hulpverlener ten aanzien van het middelengebruik
  • Bij de diagnostiek is het vaak wenselijk om ten minste een deel van het gesprek alleen met de jongere te houden. Daarbij is het raadzaam de jongere aan te moedigen om zijn ouders te informeren over het eigen middelengebruik.

Als er uit de screening bij jongeren in de jeugdzorg of jeugd-ggz naar voren komt dat een jongere middelen gebruikt, is het van belang dat de behandelaar geïndiceerde preventie start. Dit betekent dat de behandelaar bij jongeren met beginnend problematisch middelengebruik probeert te voorkómen dat het verergert tot een verslaving. Ook als jongeren overmatig gokken of gamen wordt geïndiceerde preventie aangeraden.

Drie methodieken die hiervoor kunnen worden ingezet, zijn:

  • Individuele begeleiding voor jongeren met Moti-4 (de ouder(s) worden bij de interventie betrokken).
  • Oudercursus ‘Held mijn kind kan niet zonder’ voor ouders van jongeren die problematisch middelen gebruiken of gamen.
  • Community reinforcement and family training (Craft) voor familie en andere ‘concerned significant others’

Betrek zo nodig een preventiemedewerker om je hierbij te begeleiden.

Diagnostiek

Bij sommige jongeren is geïndiceerde preventie voldoende, maar bij anderen is verder onderzoek nodig om vast te kunnen stellen of er sprake is van een stoornis in het gebruik van middelen. Als er in de instelling waar de jongere behandeling krijgt geen mogelijkheden zijn voor diagnostiek van problematisch middelengebruik, gokken of gamen, is het nodig om door te verwijzen naar de jeugdverslavingszorg voor diagnostiek en behandeling. Het is wel van belang om betrokken te blijven bij de jongere en samen met de jeugdverslavingszorg een behandelplan op te stellen waarin de verslavings- en psychische problematiek in samenhang worden aangepakt.

Een stoornis in het gebruik van middelen en gokken stelt men in de regel vast op basis van de DSM-5-criteria waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een lichte, matige of ernstige stoornis.

De DSM-5 bevat nog geen officiële classificatie voor een gamestoornis, maar biedt voor de klinische praktijk en ten behoeve van onderzoek een voorlopige classificatie op basis van negen criteria. Het internationale classificatiesysteem de ICD-11 biedt wel een officieel erkende classificatie voor een gamestoornis en een diagnose voor problematisch of risicovol gamen.

Naast de classificatie is het belangrijk om in kaart te brengen wat de factoren zijn die het middelengebruik of problematisch gokken of gamen veroorzaken, in stand houden of versterken. Ook is het belangrijk om de lijdensdruk van de jongere vast te stellen en de wensen voor de behandeling uit te vragen.

In de differentiële diagnostiek is het van belang duidelijkheid te krijgen over de vraag of er sprake is van een drugs geïnduceerde middelenstoornis of een ‘onafhankelijke’ middelenstoornis. Vooral tijdens intoxicatie of onttrekking van een middel kunnen psychische problemen door het middel ontstaan. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een psychotische stoornis door gebruik van cocaïne.

De meeste psychische problemen die ontstaan door een middel verbeteren meestal vrij snel na het stoppen met het gebruik van het middel. Mocht dat niet zo zijn, dan kan er sprake zijn van een comorbide psychische stoornis die niet middel-gerelateerd/-geïnduceerd is.

Comorbiditeit

Comorbiditeit van psychische problemen en verslavingsproblematiek komt bij jongeren vaak voor, maar wordt in de praktijk nog onvoldoende gesignaleerd waardoor er sprake is van onder diagnostiek. Bij beginnende problematiek is de kans op herstel het meest succesrijk (Snoek e.a., 2010a) wat maakt dat een tijdige signalering zo belangrijk is. Het standaardgebruik van screeningsinstrumenten voorafgaand en tijdens de behandeling bevordert vroegtijdige herkenning van problematisch middelengebruik en psychische stoornissen.